Beveiliging van kruisende verkeerssoorten.
Overwegbeveiligingen zijn het meest voor de hand liggende voorbeeld van deze hoofdfunctie.

De automatische overwegbeveiliging zoals we die nu in hoofdzaak kennen vind zijn oorsprong in ongeveer 1929. In 1922 werd het door een wetswijziging mogelijk op hoofdspoorwegen onbewaakte overwegen te hebben. Tot die tijd bestond er een verplichting tot afsluiting van de spoorweg en werden de bomen lokaal of op afstand bediend. Van die ontheffing werd zo veel gebruik gemaakt dat in een paar jaar ruim de helft, 1400, van de 2600 overwegen onbewaakt was geworden. Het gevolg laat zich raden. Als reactie op een toenemend aantal ernstige ongevallen werd een staatscommissie ingesteld die in 1929 rapporteerde over normen voor het aanduiden en of beveiligen van overwegen. De daaropvolgende zoektocht naar automatisch beveiligde overwegen leidde tot een proef in 1936 te Steenwijk met een automatisch waarschuwingssein voor niet-afgesloten overwegen met een wit kinpperende lamp, een rood knipperende lamp en een een oranje vast licht met de tekst "sein buiten dienst" als storingsmelder voor de weggebruiker.

fig 1

Bovenstaande figuur en de informatie ontleend aan het boek "Automatische Beveiliging van niet-afgesloten overwegen door ir J.H.Verstegen.